Terug Volgende

‘Mensen wisten wie we waren en we deden het gewoon’

Gepubliceerd op 22 april 2021

Auteur: Sophie Jansen

Het is lastig voor te stellen dat Leiden ooit een stad zonder muurgedichten was, dat deze geschilderde gedichten niet altijd tot het gezicht van de stad hoorden. Vorige week overleed de man die de gedichten schilderde en daarmee misschien wel de meest zichtbare kunstenaar van Leiden is: Jan Willem Bruins. Met als doel om een eerbetoon aan Bruins te schrijven én om meer te leren over de bekendste openbare kunstwerken van Leiden maakte ik een afspraak met Ben Walenkamp, het initiatief nam voor de gedichten en samen met Bruins Stichting TEGEN-BEELD oprichtte. Op een zonnig Pieterskerkhof spreken we elkaar over de muurgedichten, over zijn partnerschap met ‘Willem’ en over niet denken maar doen.

LUCAS: Het lijkt wel alsof de muurgedichten altijd hebben bestaan. Pas toen ik me ging verdiepen in het werk van Jan Willem las ik dat het eerste muurgedicht pas uit 1992 stamt. Hoe besloten jullie destijds om aan de slag te gaan?

Ben Walenkamp: ‘Het idee kwam rond 1990 op vanwege het jubileum van De Stijl, het tijdschrift dat in Leiden 75 jaar eerder werd opgericht door Theo van Doesburg. We realiseerden het vignet van De Stijl op de stenen voor Van Doesburgs atelier en er kwam op de Meelfabriek een schildering van de Russische kunstenaar Lissitzky. Op een ochtend kreeg ik het idee om gedichten die in het tijdschrift waren verschenen op muren te gaan schilderen, in de kenmerkende visuele stijl van De Stijl en in allerlei talen. Ik kende Jan Willem al heel lang dus heb hem snel betrokken.’

Die verschillende talen zijn heel kenmerkend voor de muurgedichten. Hoe ontstond het idee om dat zo te doen?

‘Daar waren drie redenen voor. De stad afficheerde zich als Stad van Vluchtelingen in die tijd. Ook de aanwezigheid van de universiteit vonden we heel belangrijk, in het kader van zoveel talen. En natuurlijk vond ik het zelf prachtig, ik ben heel erg voor bildung. Zegt dat woord jou wat? Mensen iets meegeven waar ze anders nooit aan komen.’

Voordat jullie aan de gedichten begonnen was jij al jaren actief in de Leidse kunstwereld. Hoe zag jouw eigen bildung er op dat gebied uit?

‘Ik hield op jonge leeftijd al van kunst, dat kwam vooral door mijn grootvader uit Amsterdam die mij nogal eens meenam naar het Stedelijk Museum. In 1949 was ik negen jaar en bezochten we de CoBrA-tentoonstelling. Niets aan, ik vond het verschrikkelijk! Kindertekeningen waren het. Mijn grootvader liet me gaan, ik dwarrelde dat museum door en zag opeens wat ik denk dat Mondriaans geweest moeten zijn. Ik was meteen verkocht door de abstractie en eigenlijk is dat altijd zo gebleven. Ik kan uren kijken naar een afbeelding waarop een ander alleen maar streepjes en cirkels ziet.

Eigenlijk zou ik de textielwereld ingaan maar die industrie stortte in en dus belde ik Museum de Lakenhal, waar ik meteen aan het werk kon. Vanaf daar kwam er steeds meer. We openden een kunstmarkt in de Waag, ik ben in 1965 een galerie begonnen en heb ook sociëteit De Burcht opgezet. Dat is helemaal verpest nu. Dat hoor ik dan, ik ga er zeker niet heen. In 1968 organiseerde ik met studenten van het LAK een tentoonstelling met 248 objecten door de hele stad, 248 Objekten. Allemaal abstract: ik viel met mijn neus in de boter doordat die kunst net in was.’

En toen kwamen de muurgedichten.

‘Wij waren natuurlijk jongens uit de jaren 60, dus we zijn gewoon illegaal begonnen. De eigenaar van de eerste muur kenden we. We hadden geen geld, een steiger kregen we van iemand en we deden het zelf voor niks. Na zo’n twee, drie gedichten kwam monumentenzorg aan om te zeggen dat dit niet zomaar kon. Ze vonden het wel goed en hadden eigenlijk geen bezwaar, maar we moesten het wel aanvragen. Dat hebben we uiteindelijk alleen maar gedaan bij panden waarbij de gemeente of de universiteit betrokken was. We stoorden ons niet, daar waren we allebei hetzelfde in. De gemeente wilde in eerste instantie dat we commissies zouden oprichten voor de gedichten en voor het beeld. Dat gingen we dus niet doen.’

De Profundis van Frederico García Lorca, muurgedicht nummer 101

Misschien moeten we die spirit weer een beetje terugvinden in Leiden.

‘Jullie zijn natuurlijk aan de gemeente verbonden maar wij stoorden ons nergens aan. Later stond zelfs de burgemeester bij een illegaal gedicht. De vorige burgemeester was dat, Cees Goekoop. Die nam gewoon trots een ambassadeur mee naar een schildering die nooit aangevraagd was. Mensen wisten wie we waren en we deden het gewoon.’

De gedichten zijn meer dan gedichten alleen, het zijn kunstwerken. Hoe benaderde Willem zijn werk?

‘Ik bedacht het beeld, hij de typografie. Willem kon geweldig letters schilderen en daardoor kun je zien dat het persoonlijk was. Hij gebruikte wel bestaande typografieën maar altijd met een kleine verandering, dat maakte het zo bijzonder. Hij deed dat geweldig. Ieder jaar kwamen er wel een stuk of vijf, zes bij. Een aantal wijken heeft nog geen gedicht en dat vind ik jammer, maar Willem is net overleden en ik ga niet meteen op zoek naar een opvolger.’

De meest zichtbare kunstenaar van Leiden, die vervang je niet zomaar.

‘We willen dat meerdere mensen het gaan oppakken want er is veel te doen. Er moet gerestaureerd worden en er moeten nieuwe gedichten komen. Natuurlijk heb ik mensen in mijn hoofd maar het is te vroeg om het daar nu over te hebben.’

Onderhoud en restauratie, hoe gaat dat in zijn werk bij de muurgedichten?

‘Vaak wordt de muur smerig en dan wordt er over de gedichten heen geschilderd. Echt heel zonde en ook stom dat we nooit contracten hebben getekend om daar afspraken over te maken. Waarschuw ons als je dat gaat doen! Bij de gemeente is het lastig om hier hulp bij te krijgen, want zij zien onderhoud vooral als een beschermingslaagje eroverheen. Nu krijgen we er gelukkig een beetje subsidie voor.’

Er zijn nu rond de 120 gedichten, allemaal door jullie zelf geselecteerd. Hebben jullie ooit weleens een ‘verzoekje’ gedaan?

‘Principieel doen we geen verzoekjes!’

Heb je zelf een favoriet gedicht?

‘Nee. Daarmee zou ik de rest miskennen, dat is al een reden om er niet over na te denken. ‘

Het kan ook verbonden zijn met een plek. Ik ben zelf in de Merenwijk opgegroeid en ben daarom gehecht aan De Waterlelie van Van Eeden.

‘Wat ik zelf altijd mooi vond in de Merenwijk zijn die klaprozen. Jan Willem en ik waren allebei lastig, ook met elkaar, en hadden er destijds een hele discussie over. Moesten die klaprozen nou een steel hebben of niet? Ik vond dat ze moesten zweven en dat gebeurde. Toen begonnen we aan dat gedicht van Cees van Hoore met die gele lissen ook in de Merenwijk. We hadden afgesproken dat die ook zouden zweven maar ik werd ziek. Toen ik terug kwam had Willem ze allemaal een steeltje gegeven. Zo hebben we nogal wat meningsverschillen gehad maar dat hoort erbij.’

Gelincikler van Fakir Baykurt

Zo zit er achter ieder gedicht vast een goede anekdote.

‘Nog eentje. Op het Pelikaanhof hadden we de steiger laten neerzetten door een schildersbedrijf dat ook het gele vlak zou schilderen. Komt er ’s morgens een man aan van de gemeente, hij vroeg de schilders of ze een vergunning hadden. Hadden we natuurlijk niet. ‘U moet stoppen!’ roept hij. Ik zei: ‘We stoppen niet,’ en die jongens schilderden gewoon door. Ze waren al over de helft. Daarna kwamen ze met twee man sterk. Ik zei: ‘Nog even, dan zijn we klaar.’ Het gele vlak kwam af, het gedicht kwam af en we hebben nooit meer iets gehoord.’

Ik begin een beetje jaloers te worden op die houding.

‘Gewoon doen. Je moet meer doen.’